„Hij moet maar naar zijn bedje hoor,"
beslist Bob. Hij
bekijkt ondertussen zijn broek vol vlekken. „Het is al
laat genoeg tenslotte, voor zo'n kleintje."
Maar Jeroentje heeft heel andere ideeën. Hij
rent
met struikelende beentjes de keuken uit. „Nee! Niette
bedje toe, niette bedje toe!"
Bob loopt eerst naar de aanrecht om zuchtend
en
mopperend met een natte handdoek zijn broek
schoon te maken. Na de behandeling zijn de vlekken
ongeveer twee keer zo groot, maar ze ruiken in ieder
geval iets minder naar bier met melk, vindt Bob.
Volgens Erik stinkt hij een uur in de wind
naar vieze
mannen, maar hij houdt er verder zijn mond over.
„Waarom moet Jeroentje eigenlijk nu al naar
bed?"
vraagt hij.
„Joh," zegt Bob met zo'n stem van
'laat-mij-maar-
even', „die kleintjes hebben veel slaap nodig. Jeroen-
tje is de hele dag druk geweest. En bovendien eh... wil
ik nu wel even rust aan mijn hoofd."
'Dat heb je toch,' denkt Erik. Jeroentje is
wegge-
vlucht en houdt zich muisstil.
„Waar is die jongen eigenlijk?" vraagt Bob.
„Ik weet het niet," zegt Erik en haalt zijn
schouders
op. „Hij liep net de keuken uit en zei dat hij niet naar
bedje wilde."
„Ja hoor eens even," zegt Bob ongeduldig,
„niet
naar bed willen, wat zullen we nou hebben..." En
speurend loopt hij de keuken uit. „Waar zit dat joch
nou? Waar kan hij nou toch zijn?"
Erik hoort hem maar mompelen in zichzelf.
Door
de openstaande keukendeur kan hij zo de kamer
inkijken. Daar ziet hij, onder de bank, het ronde kop-
pie van Jeroentje. Die probeert geen enkel geluid te
maken. Maar dat valt niet mee. Hij verslikt zich haast
in zichzelf van de spanning.
„Erik?" roept Bob vanuit de kamer. „Heb jij
gezien
waar hij heen ging?"
„Neuh, nou eh... hij liep de keuken uit!"
„Ik begrijp er niks van," moppert Bob.
Erik legt zijn vinger op zijn mond en
Jeroentje doet
hem na. Niet dat het veel helpt, want hij blijft kleine
stik-geluidjes maken.
Bob hoort ze nu ook. „Zit hij soms onder de
bank?"
Meteen gaat hij op zijn knieën en kruipt tussen het
tafeltje en de bank door.
„Nee!" gilt Jeroentje meteen. „Niette bedje
toe,
magge niet, bedje isse niet!" Vliegensvlug kruipt hij
nog verder onder de bank, zo ver mogelijk
van Bob
vandaan.
„Ha!" roept Bob. „Gevonden!" Snel komt hij
over-
eind, zonder aan het tafeltje te denken. Hij vloekt iets
onduidelijks. Hij wrijft over zijn pijnlijke rug en
strompelt naar het andere eind van de bank. Daar ligt
Jeroentje gillend te wachten.
„Nu heb ik je, jongen," zegt Bob en trekt
hem aan
een spartelend beentje onder de bank vandaan.
„Bruut!" roept Erik vanuit de keuken.